
Veertig jaar schreef Jan Vollaard over popmuziek voor
verschillende media, waaronder (Muziekkrant) Oor en NRC Handelsblad. Bij elkaar
waren het naar zijn schatting ‘zeker vierduizend stukken, stukjes, interviews,
concertrecensies, beschouwingen, plaatbesprekingen, nieuwsscoops, reportages,
necrologieën en andersoortige artikelen’. Tijdens de coronapandemie vond hij
eindelijk de tijd om al die schrijfsels te ordenen, zo vertelde hij tijdens de
presentatie van Pop! 40 jaar tussen idolen en halve zolen in het
hoofdstedelijke platenwalhalla Concerto op 25 mei jongstleden. Het resultaat, een
fors plakboek met op het omslag een illustratie van Willem Kolvoort, liet hij
bij de presentatie zien. Uit dit plakboek maakte hij voor Pop! een selectie,
herschreef het een en ander en voegde context toe. Het boek geeft daarmee een
mooie indruk van ontwikkelingen in de popmuziek van 1983 tot en met 2023.
Daarnaast geeft het ook een beeld van het vak van muziekjournalist door de
jaren heen en hoe die journalisten door de muziekindustrie behandeld werden.
Zeker in de beginjaren van de popjournalistieke
carrière van Vollaard was er bij platenmaatschappijen geld in overvloed.
Journalisten werden ingevlogen op persbijeenkomsten bij premières van
wereldtournees met alles er op en er aan. Die waren moeilijk te weerstaan. Hij
plaatst er wel direct de kanttekening bij dat de aanwezige journalisten steeds
met ‘min of meer hetzelfde vrij kritiekloze stuk kwamen.’ Corona veranderde de
entourage waarin de interviews met muzikanten plaatsvonden. In plaats van een
gesprek van de muzikant met meerdere journalisten in een hotelkamer, werd
Vollaard een blik in de huiselijke omgeving van de artiest gegund, zij het
middels zoomgesprekken en niet in levende lijve.
Inmiddels heeft de komst van het internet het vak van
popjournalist een stuk minder avontuurlijk gemaakt, zo concludeert Vollaard.
‘Zodra pitchfork.com een 8 of hoger geeft aan een nieuw album van, pakweg,
Taylor Swift is er geen popscribent die nog durft te zeggen dat hij of zij er
eigenlijk geen moer aan vindt.’ Het afscheid als popjournalist valt hem
uiteindelijk niet erg hard. Al met al is hij blij dat hij nu eindelijk eens
ongestoord kan luisteren naar wat hij zelf leuk vindt.
Het boekje is opgedragen aan Lex van Rossen, de
popfotograaf met wie Vollaard vanaf de tijd dat hij bij NRC begon 22 jaar heeft
samengewerkt en die in 2007, te jong, overleed. Zijn dochter nam het eerste
exemplaar in ontvangst. Een van de bijdragen in de bundel is aan Van Rossen
gewijd. Vollaard ziet hem als ‘de grootste popfotograaf ter wereld’. Het is een
mooi, ontroerend en terecht eerbetoon. Terwijl Vollaard zich onopvallend achter
in de zaal kon posteren, moest Van Rossen in de frontlinie een mooi plaatje
zien te schieten. Dat moest hij dan ook nog eens zo snel mogelijk in zijn
donkere kamer ontwikkelen, zodat het de volgende dag bij de recensie in de
krant kon. Had Vollaard een half uur of langer voor een interview en leverde
dat vaak meer op dan er in een artikel paste, Van Rossen kreeg na afloop nog
een paar minuten om een foto in een onpersoonlijke hotelkamer te maken.
Alhoewel de omstandigheden vaak niet optimaal waren, leverde het altijd
prachtig beeld op. Iconisch zijn zijn foto’s van Bono in De Kuip of Neil Young
in de Stopera. Zijn archief is ondergebracht bij het Maria Austria Instituut en
kan online bekeken worden. Daar zou een mooi fotoboek uit te maken zijn als een
vervolg op de jaren zeventig popfoto’s in Abba ... Zappa van collegapopfotograaf
Gijsbert Hanekroot.
Pop! is opgedeeld in vijf hoofdstukken, die ieder een
decennium beslaan. Daarbij loopt het laatste, De jaren 20, slechts tot 2023.
Ieder hoofdstuk begint met een inleidend stuk, waarin de concerten, interviews
et cetera uit het decennium dat aan de orde is, kort worden samengevat. Daarbij
komen alle genres aan de orde. Vollaard schrijft net zo gemakkelijk over André
Hazes, Jan Smit, K3 en Abba als over Neil Young, Nirvana, The Strokes en Nick
Cave. Vanzelfsprekend heeft hij een mening over de muzikanten en wat ze maken,
maar die is niet leidend. Zoals hij in de inleiding al schrijft, ‘Als een
luisteraar iets mooi vindt en de recensent vindt het niks, dan heeft de
luisteraar altijd gelijk.’
De ondertitel van het boek geeft al aan wie je als
popjournalist zoal tegenover je kunt krijgen. Enerzijds wordt je de
mogelijkheid geboden je idolen te ontmoeten, anderzijds kom je in situaties
terecht waarin je overduidelijk met een halve zool te maken hebt. En soms
verandert je mening tijdens een interview en kom je er achter dat je idool eigenlijk
een halve zool is. Veertig jaar popjournalistiek levert uiteraard de nodige
anekdotes op, zoals het laten signeren van een cd-hoesje van Everybody Knows
This Is Nowhere door vinyladept Neil Young, de ontmoeting met Hazes, terwijl
Vollaard zich in de kleedruimte van een sporthal van zijn ‘wielerkloffie’
ontdoet om een lange broek en overhemd voor het interview aan te trekken, of de
brommer met lekkend motorblok op de hotelkamer van Pete Doherty. Ondanks zijn
luchtige manier van schrijven en nuchtere kijk op zijn eigen metier, blijft hij
de professionele popjournalist die artiesten kritisch bevraagt en daar een
informatief stuk over schrijft. Daarbij treedt hij zelden zelf op de voorgrond.
Iets wat van voorgangers als Constant Meijers of Jip Golsteijn niet gezegd kan
worden. Bij Vollaard staat de artiest centraal. Zelf noemt hij Pop! een leuk
boekje om mee naar het strand te nemen, maar daar doet hij Pop! tekort mee. Het
is een lezenswaardig en met liefde voor de muziek geschreven overzicht van 40
jaar popjournalistiek.
Jan Vollaard: Pop! 40 jaar tussen idolen en halve
zolen. Gorredijk: Noordboek – Van Gorcum. ISBN 9789464713336. Prijs: 19,90 euro
Verschenen in: Platenblad, nr. 292, 16 juli t/m 10 september 2025
André Nuchelmans