dinsdag 1 februari 2022

Those Were The Days

 


Op 20 juni 2020 wordt Constant Meijers gebeld met de mededeling dat Don Henley hem wil begroeten na afloop van een concert van The Eagles in de Ziggo Dome. Ze hebben elkaar voor het eerst begin jaren zeventig, in de tijd dat Meijers hoofdredacteur van Muziekkrant Oor was, ontmoet, maar het contact was de laatste decennia enigszins verwaterd. Na veel geharrewar en over en weer contact met diverse mensen om Henley heen, wordt geregeld dat Meijers en Henley elkaar kunnen ontmoeten. Hij posteert zich tegen het einde van het concert in de coulissen op een strategische plek waar Henley wel langs moet komen op weg naar de uitgang. Na een paar toegiften verlaat de drummer als eerste het podium aan de achterkant en herkent Meijers. Meijers omhelst hem en na een kort gesprek zegt Henley ‘Well, I just wanted to thank you for everything’, stapt in de gereedstaande bus en laat een enigszins verbijsterde Meijers achter. De zin houdt hem bezig en leidt er uiteindelijk toe dat hij achter de laptop kruipt en een stuk schrijft over zijn belevenissen met The Eagles.

Het blijkt de aanzet voor de 350 pagina’s die Hotel California telt, waarin de voormalig hoofdredacteur terugblikt op zijn jaren als popcriticus. Dat waren vooral de jaren zeventig, de jaren dat het rock ‘n’ rollcircus zijn hoogtijdagen vierde. Meijers stapte aan het begin van de rit in en verliet het circus een paar jaar na de opkomst van punk als reactie op de gezapigheid waar de rockmuziek in terecht gekomen was. De aardige jongens uit de begintijd waren inmiddels miljonair en wisten bij God niet wat ze met al dat geld aan moesten. Het vele touren om de geldstroom gaande te houden eiste zijn tol en leidde tot excessief drugs- en alcoholgebruik en zette de verhoudingen tussen bandleden op scherp. Van de aardige jongens was tegen die tijd niet veel meer over. Precies die ontwikkeling schetst hij in het openingsartikel naar aanleiding van de ontmoeting met Henley op de voor hem herkenbare manier.

Die manier kenmerkt zich doordat Meijers zich opstelde als een soort cultureel antropoloog die veldonderzoek deed volgens de methode van participerende observatie. Hij probeerde deelgenoot te worden van de artiesten, trok met ze op, nam een trekje van een rondgaande joint en later een lijntje coke, kwam bij ze thuis, luisterde naar ze als ze het moeilijk hadden en voorzag ze, afwijkend van de participerende observatie, van adviezen over hun carrière. Het is een stijl waar je van moet houden, want Meijers is onderdeel van het verhaal. Het gaat niet alleen over de artiesten, maar ook over Meijers zelf en de manier waarop er met journalisten wordt omgegaan. Dat is, zeker in de beginjaren, erg amicaal, al vergt het wel enig doorzettingsvermogen en branie van de journalist. Meijers weet zich bijna overal naar binnen te werken, dankzij het netwerk dat hij gestadig opbouwt. Dat levert veel leuke verhalen op, die soms ook helemaal niet over de muziek gaan, maar wel een indruk geven van het wereldvreemde leven van popmuzikanten in die tijd. Ze zijn allemaal op zoek naar erkenning. Als ze die niet krijgen ligt dat aan een ander en als het ze lukt en ze zijn succesvol is dat meestal het begin van het einde.

Zoals al gezegd bestrijkt het boek vooral de jaren zeventig en de muzikanten die in die periode actief waren. Een aantal daarvan zal de jongere generaties niets zeggen, zoals Tim Hardin, Brian Eno, Todd Rundgren of Lee Dorsey. Daarmee lijkt de schrijver zich dan ook vooral op zijn leeftijdgenoten te richten en laat dat nu precies de lezers van Platenblad zijn. Ik heb het boek in ieder geval achter elkaar uitgelezen en genoten. Als Neil Youngfan is dat sowieso geen probleem want die loopt als een rode draad door het boek. Opkomende verliefdheid wordt bij Meijers begeleid door liedjes van Young, net als de deceptie na de afwijzing. Ik moet bekennen dat het me erg bekend voorkomt.

Ondanks dat het merendeel van de stukken over popmuziek in de jaren zeventig gaat, zijn ze erg afwisselend. Niet alleen qua lengte, maar ook wat betreft het onderwerp. De stukken naar aanleiding van interviews en belevenissen worden afgewisseld met beschrijvingen van de opkomst van de popjournalistiek, de concurrentie met andere muziekbladen en het zakelijke wel en wee in die branche. Meijers belandt, als student Theaterwetenschappen, in de popjournalistiek en schopt het binnen een paar jaar tot hoofdredacteur van Muziekkrant Oor, om uiteindelijk na een overname door Elsevier aan de kant geschoven te worden.

In de jaren tachtig trekt hij zich geleidelijk uit de popmuziek terug, al wordt hij door zijn ‘vrienden’ nog regelmatig backstage uitgenodigd als ze in het land zijn. Zijdelings blijft hij bij de popjournalistiek betrokken. Zo begeleidt hij Wessel van Diepen als die in 1989 op bezoek gaat in Michael Jackson’s Neverland en verdiept hij zich in de jaren negentig uitgebreid in het leven van Elvis’ manager Colonel Parker, alias Dries van Kuijk, met het idee er een musical of documentaire over te maken. Ook verschijnt hij met enige regelmaat aan de tafel bij Matthijs van Nieuwkerk als een popcoryfee uit de jaren zestig of zeventig in het land is of de pijp aan Maarten geeft.

Het getuigt van eerlijkheid dat hij eind jaren zeventig tijdens de opkomst van punk toegeeft dat al die ‘nieuwe muziek’ niets voor hem is. Of zoals hij schrijft: ‘Reinigend vermogen van binnenuit, dat is je ware rock-’n-roll. Maar plezier beleef ik er niet aan. Hier begint een volgende generatie aan haar eigen revolutie en om me daarbij aan te sluiten vind ik niet geloofwaardig. Je kunt niet twee keer jong zijn. Ik leg me erbij neer dat ik van hippie een ‘oude hippie’ word, zoals een aantal van de nieuwe, jonge medewerkers me toevoegt.’ Gelukkig zijn er genoeg ‘oude hippies’ die van zijn verhalen kunnen genieten.


Verschenen in: Platenblad, nr.265, 29 januari t/m 11 maart 2022, p. 33-34.


Constant Meijers – Hotel California & andere rock-‘n-roll verhalen

Mooks Publishing, ISBN 9789082309058

Prijs: € 29,95

 

woensdag 26 januari 2022

Jaarlijst 2021


 

1. Feu ! Chatterton – Palais d’Argile 

2. Endless Boogie – Admonition 

3. Jeff Tweedy – Love Is The King

4. Claw Boys Claw – Kite

5. Ovlov – Buds

6. Mdou Moctar – Afrique Victime

7. Night Beats – Outlaw R&B

8. Farmer Dave & The Wizards of the West – S/T

9. Zaz – Isa

10. Rose City Band – Earth Trip

Een afwisselende lijst, de top 10 van platen die ik het afgelopen jaar aanschafte. Daarbij is de verschijningsdatum op vinyl het uitgangspunt en weet zodoende ook Jeff Tweedy nog een plaatsje te veroveren. Het merendeel van de artiesten gaat al wat jaren mee, met Feu ! Chatterton en Ovlov als uitzonderingen.

Met hun derde LP zet de Parijse band Feu ! Chatterton de lijn door die met de eerste twee albums was ingezet. Palais d’Argile is een erg afwisselende plaat maar met een erg herkenbaar geluid. Een van de hoogtepunten is Compagnons. De tekst van Jacques Prévert is eerder door onder andere Serge Reggiani en Yves Montand in verschillende versies op de plaat gezet, maar in de versie van Feu ! Chatterton onherkenbaar en van een erg aanstekelijke melodie voorzien. De opener van kant 3, Libre, bevindt zich aan het andere eind van het spectrum en bouwt in een kleine 10 minuten een spanning op die zich ontlaadt in een duel tussen bas en gitaar.

Zo afwisselend als Palais d’Argile is, zo eentonig is Admonition van Endless Boogie. Het is wel precies wat de bandnaam voorspelt: een eindeloze herhaling van een lekkere groove, maar zonder dat die ook maar even gaat vervelen. En dat is ook een ontzettende kunst, al lieten Jesper Eklow en kompanen ook op eerdere platen al horen het tot in de puntjes te beheersen.

Jeff Tweedy tapt op zijn lockdownplaat weer uit een geheel ander vaatje. Samen met zonen Spencer en Sammy nam hij in de studio aan huis 11 typische Tweedy nummers op waarbij hij zelf de bas, elektrische en akoestische gitaar voor zijn rekening nam. De liedjes ademen allemaal de geest van de titel van de plaat en bewijzen eens te meer dat Tweedy tot de beste singer songwriters gerekend kan worden.

Claw Boys Claw voegt met Kite een volgende prachtplaat aan hun inmiddels imposante oeuvre toe. Met Jeroen Kleijn op drums en Marc Bruystens op bas heeft de vaste kern Peter Te Bos en John Cameron inmiddels alweer drie platen gemaakt, waarbij Kite het voorlopige hoogtepunt is. Het tempo ligt vanzelfsprekend niet constant zo hoog als in de begindagen, maar aanstekelijk en enthousiast blijft het. Ik had ze graag live gezien in Paradiso, maar daar werd op het laatste moment een stokje voor gestoken.

Buds van Ovlov (zouden ze hun naam van een Zweeds automerk hebben?) is het derde album van het kwartet van drie broers Hartlett en Morgan Luzzi uit Connecticut. De inspiratiebron is overduidelijk gitaarmuziek uit de jaren negentig en gaat van ingetogen tot totaal ontsporend. En toch klinkt het allemaal net wat anders dan de inspiratiebronnen.

Het lijkt er op dat de Touaregsound in de Verenigde Staten ontdekt is. Nadat Bombino in 2013 een plaat met Dan Auerbach van The Black Keys opnam die uitkwam op Nonesuch, heeft Mdou Moctar via Jack White’s Third Man Records onderdak gevonden bij Matador. Dat komt de distributie ten goede, met als gevolg dat deze plaat in diverse jaarlijstjes in muziekbladen was terug te vinden. En terecht! De muziek blijft authentiek, maar verraadt duidelijk rockinvloeden. Die hoor je het best terug op het titelnummer waar de gitarist als een eigentijdse Jimi Hendrix alles uit zijn gitaar haalt.

Night Beats is inmiddels al een aantal jaar niet echt een band meer, maar het project van gitarist/zanger Lee Blackwell. Op Outlaw R&B revancheert hij zich voor het toch wel erg gladde Myth Of A Man. Overduidelijk met de wortels in de sixties, variërend van The Seeds, 13th Floor Elevators tot Ennio Morricone in Hell in Texas.

Farmer Dave houdt de vlam van Beachwood Sparks op zijn geheel eigen wijze brandende, Zaz levert met het aan haar eigen naam refererende Isa een mooie introspectieve dubbel LP af, herkenbaar maar geen moment saai. En ook Wooden Shjips gitarist Ripley Johnson blijft met zijn eigen Rose City Band op zijn derde LP in het uitgezette spoor met typische West Coast country psychedelica. 

 



Reissues

1. Allen Toussaint – Life, Love and Faith

2. My Bloody Valentine – Loveless

3. Elvis Presley – On Stage

4. Ro-D-Ys – Earnest Vocation

5. Various Artists - Essiebons Special 1974-1984 (Ghana Music Power House)

 

En gelukkig verschijnen er ook elk jaar weer wat pareltjes uit het verleden opnieuw op vinyl. Zo blijven ook deze platen betaalbaar beschikbaar en voegt Analog Africa met Essiebons Special weer een prachtige compilatie aan hun indrukwekkende catalogus toe.

 

donderdag 30 december 2021

Platenzaaksticker #376

 


Den Boer & Zn
Hoek Damstraat
Filiaal
Schoterweg 32
Haarlem

Op label, Elly Fitzgerald, 7", The Swingin' Shepherd Blues, Verve Records VV 20.041x45 (Nederland, 1957)


Een klassieke sticker in zwart opschrift op een goudkleurige achtergrond met zwart kader. Als merkherkenning koos Den Boer voor een man- en vrouwfiguur met als hoofd een omgekeerde muzieknoot. Dat doet vermoeden dat Den Boer een muziekhandel was waar bladmuziek verkocht werd. Een advertentie uit de Haarlemsche Courant van 11 januari 1944 bevestigt dat vermoeden.

 


De advertentie levert nog een aantal andere wetenswaardigheden op. Allereerst dat Den Boer ook in tweedehands platen handelde, die per kilo werden opgekocht. Daarnaast wordt duidelijk op welke hoek van de Damstraat het hoofdfiliaal zat, namelijk op die met de Lange Veerstraat, schuin achter de Grote of St. Bavokerk bij de Oude Groenmarkt. Dat was bovendien in die tijd de enige vestiging van Den Boer. Die zal daar de nodige concurrentie hebben ondervonden van Hogenbijl, die er tegenover aan de Oude Groenmarkt zat en aanvankelijk muziekinstrumenten, maar later uitsluitend platen verkocht.

Een andere advertentie in het Haarlems Dagblad van 16 november 1956 maakt duidelijk dat Den Boer inmiddels ook audio-apparatuur aan haar assortiment had toegevoegd en een filiaal in Haarlem-Noord had.


Bovendien vermeldt de advertentie dat Den Boer dan al 40 jaar actief is, dus begonnen in 1916. Een foto uit de jaren zestig laat zien dat de winkel er mocht wezen.

Een aanzienlijke uitbreiding vergeleken met de jaren veertig


Alles lijkt er op te wijzen dat Hogenbijl de concurrentiestrijd uiteindelijk gewonnen heeft. Die heeft tot 1984 bestaan en vierde toen bijna haar 100-jarig jubileum.

 

TOEVOEGING 9 DECEMBER 2025

  


Op label, Teresa Brewer, 10", Ricochet (Rick-O-Shay), Coral 61043 (Nederland, 1953)

De voorganger van bovenstaande sticker, deze inzending van Evert Nijkamp. De tekst is identiek maar het materiaal en de kleuren zijn anders. 

maandag 13 december 2021

LP top 10 1991

Al heel wat jaren keert de top 10 van 30 jaar geleden terug in het laatste nummer van het jaar van Platenblad. Dit jaar is de titel van dit blog enigszins misleidend aangezien er in mijn top 10 ook een cd is binnen geslopen. Opvallend is dat drie platen uit mijn top 10 in geen enkele andere inzending voor kwamen: nota bene mijn nummer 1, Alain Bashung en Chris Whitley. Geloof niet dat dit eerder het geval was. Ze weten niet wat ze missen!



    1. Beasts of Bourbon – The Low Road
    2. Nirvana – Nevermind

    3. Bashung – Osez Joséphine
    4. My Bloody Valentine – Loveless
    5. Teenage Fanclub – Bandwagonesque
    6. Dinosaur Jr – Green Mind
    7. Screaming Trees – Uncle Anesthesia
    8. Chris Whitley – Living With The Law
    9. The Comedown – The Comedown
    10. Green On Red – Scapegoats

 

Er vielen er dit jaar nogal een paar buiten de boot, de keuze was moeilijk. Zo haalden Drivin’ N Cryin’ met Fly Me Courageous, Smashing Pumpkins met Gish, Soundgarden met Badmotorfinger en Uncle Tupelo met Still Feel Gone de top 10 net niet. Het blijft toch altijd een verrassing welke platen hun impact bewaren na de waan van de dag of in dit geval het jaar. Zo stond slechts de helft van de platen uit mijn top 10 begin januari 1992 in de platenkast en is er een pas dit jaar aan toegevoegd. Dat blijft ook altijd het leuke aan het samenstellen van een lijst dertig jaar nadat de platen verschenen zijn.

Het Australische stelletje ongeregeld dat op nummer 1 staat haalt met The Low Road hun revanche voor 1990, toen ze met Black Milk een zwabberende plaat afleverden. In topvorm zijn ze, vanaf de opener Chase The Dragon tot de toepasselijke afsluiter Goodbye Friends. Andere hoogtepunten zijn de cover Ride On, origineel van hun landgenoten AC/DC, maar Tex Perkins en zijn companen op het lijf geschreven, net als de Stonescover Cocksucker Blues.

Nevermind sloeg in 1991 in als een bom. Pakkende nummers met een hook, waarbij de adrenaline omhoog schoot. Een plaat die meermalen op repeat op de platenspeler belandde en waarbij ik me veelvuldig in het zweet gedanst en gesprongen heb. Parijzenaar Alain Bashung leerde ik pas later kennen, zo rond de millenniumwisseling, maar inmiddels staat er een aardig rijtje in de platenkast. Hij nam het album op in Memphis, Brussel en Parijs, waarbij hij lokale musici inschakelde. Een uiterst sfeervol album, met een aantal verrassende covers, poëtische Franse teksten en op het titelnummer een heerlijke slide. Grappig om te zien dat hij ongeveer gelijktijdig met Arno en diens toenmalige partner Marie Laure Béraud in Brussel in de studio moet hebben gezeten toen die respectievelijk Charles et les Lulus en TURbigo 12-12 opnamen: Roland van Campenhout speelt op alle drie de platen gitaar en Adriano Comino de accordeon.

My Bloody Valentine belandde pas in oktober dit jaar in de verzameling, maar maakte direct een onuitwisbare indruk. Dat deed Bandwagonesque al eerder. Teenage Fanclub levert een prachtig en origineel eerbetoon aan Alex Chilton en Big Star, die op hun beurt weer teruggrepen op The Beatles. Tot in de puntjes perfect geproduceerd en ijzersterke nummers, die direct blijven hangen, maar nimmer gaan vervelen. Dat geldt evenzeer voor Green Mind van Dinosaur Jr, dat eigenlijk meer een soloalbum van J Mascis is. Die nam bijna alle instrumenten voor zijn rekening, slechts op 3 nummers bijgestaan door Dinosaurdrummer Murph. Lou Barlow richtte zich op zijn eigen band Sebadoh.

Alhoewel Soundgarden de top 10 net niet haalde, is zanger Chris Cornell toch vertegenwoordigd via de Screaming Trees. Als achtergrondzanger en producer stond hij Mark Lanegan en de gebroeders Conner bij op hun vijfde langspeler, die de opmaat vormt voor het een jaar later verschenen Sweet Oblivion. Chris Whitley valt de eer te beurt om als eerste cd een plaats in mijn top 10 te behalen. Het lijkt er op dat ik daarbij toch net wat strengere criteria hanteer dan bij vinyl. Maar Whitley voldoet daar met zijn fabuleuze gitaarspel en zang ruimschoots aan. Zelden leverde iemand zo’n doorleefd debuut af. De dooddoener dat je pas de blues kunt spelen en zingen als je diep in de ellende zit, lijkt hier echter zeker op zijn plaats, ‘It’s hard living with the law’.

De Utregse band The Comedown is de Nederlandse vertegenwoordiger in de top 10. De band rond zanger Ronald Visser, verantwoordelijk voor bijna alle teksten en muziek, had al een aantal aanstekelijke, op de sixties geënte singles op haar naam, voor ze in 1991 hun eerste en enige lp afleverde, op het lokale Keltlabel. Van alle markten thuis, maar als gemeenschappelijke noemer lekker spiechedelisch.

Scapegoats van het duo Dan Stuart en Chuck Prophet onder de naam Green On Red sneeuwde destijds enigszins onder in al het gitaargeweld uit de Verenigde Staten. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld Smashing Pumpkins en Soundgarden blijkt de plaat toch beter bestand tegen de tand des tijds.

Beste live LP uit 1991 is Weld van Neil Young en Crazy Horse, die de lijn ingezet op Ragged Glory ook live nog eens lekker doortrekken. Alhoewel destijds allemaal de veertig gepasseerd, doen ze geenszins onder voor de jongere garde die ze inspireerden. Als toef op de taart ging de dubbel cd-versie vergezeld van een cd uitsluitend gevuld met feedback. Slave To The Grind van Skid Row komt als beste hardrockalbum uit de bus: Get The Fuck Out!

woensdag 3 november 2021

Platenzaaksticker #375

 

 

Télévision - Disques
J. Lemaire
100 Boulevard de la Libération
Marseille GA 8309(?)

Op achterzijde hoes, The Shadows, 10", Dance With The Shadows, Columbia FP 1139 (Frankrijk, 1961)

De plakbandsticker blijkt een internationaal fenomeen, zo wijst deze sticker maar weer eens uit, en was al in het begin van de jaren zestig in gebruik. En hij zit er nog steeds stevig op. Helaas is de tekst achter de plaatsnaam niet goed leesbaar meer.

De heer Lemaire had een elektronicawinkel met daarin een belangrijke plek voor vinyl. Althans dat is op te maken uit de aankondiging bovenaan. Het moet bovendien een redelijk hippe zaak geweest zijn voor zijn tijd, waar ook buitenlandse artiesten een plaatsje in de rekken kregen.

De winkel zat aan een redelijk drukke winkelstraat aan de rand van het eerste arrondisement, dus midden in het centrum. De allure van het verleden lijkt enigszins verdwenen als je de huidige staat bekijkt. Over de winkel geeft het internet ook geen informatie prijs, maar zeker is dat hij inmiddels is verdwenen.