zondag 17 november 2013

Dino Valenti: ‘The Underground Dylan’

 
 
Wie Dino Valenti al kent, legt waarschijnlijk direct de link naar Quicksilver Messenger Service, de band die samen met The Grateful Dead en Jefferson Airplane een van de vertegenwoordigers van de San Francisco scene in de jaren 60 is. Valenti was betrokken bij de oprichting maar trad pas op de vierde LP Just for Love tot de groep toe en voerde direct de boventoon. De LP wordt over het algemeen gezien als overgeproduceerd en valt bij de Quicksilver fans van het eerste uur in ongenade vanwege het nasale stemgeluid van Valenti en de zoetsappigheid van zijn nummers. Valenti maakte echter in 1968 ook een solo-LP, Dino Valente, die in geen enkel opzicht op het Quicksilverwerk lijkt. De LP was lange tijd bijna onvindbaar en dus onbetaalbaar. Tompkins Square bracht dit jaar een heruitgave op vinyl op de markt, zodat dit pareltje weer verkrijgbaar is. Een mooie gelegenheid om Valenti’s muzikale carrière en zijn solo LP onder de loep te nemen.
 
Circus is coming to town
 
Valenti werd op 7 oktober 1937 geboren als Chester William ‘Chet’ Powers. Zijn ouders waren rondreizende circusartiesten en Chet leerde al op jonge leeftijd van zijn vader ukelele spelen. Als kind doet hij al mee bij de Hootchy Cootch (een stripshow) van zijn ouders als kaartverkoper. Later heeft hij zijn eigen handeltje aan de rand van het circusterrein. Echt aangetrokken tot een circusbestaan voelt hij zich echter niet. De rondreizende artiesten die zich af en toe bij het ‘carnival’ aansluiten, vindt hij bijzonder interessant. Als zijn vader overlijdt, besluit de dan 17-jarige Chester het circusleven achter zich te laten en meldt zich aan bij de US Air Force. De eigenzinnige Powers houdt het daar echter niet lang vol, vooral het aanpassen aan de autoriteit van meerderen druist tegen zijn aard in. Binnen een jaar staat hij dan ook alweer op straat. Als reden wordt gegeven dat ‘Chester Powers is able of doing everything he sets his mind to, however, he thinks that the whole United States Air Force should conform to his way of thinking.’ Veel mensen die later met hem samengewerkt hebben, zal deze beschrijving herkenbaar voorkomen.
 
New York City here I come
 
Chet gaat terug naar zijn moeder en broer en zus, maar zal daar niet lang blijven. Volgens zijn broer, stelt moeder Powers Chet voor de keuze tussen een kappersopleiding of een gitaar, waarbij hij voor het laatste kiest. Hij trekt naar New York, voorziet onderweg via optredens in zijn onderhoud en neemt en route de naam Dino Valenti aan. Het is dan de tweede helft van de jaren 50. Met zijn zelfgeschreven nummers trekt hij langs de koffiehuizen, waar hij in de begintijd het podium deelt met Lenny Bruce, Jack Kerouac, Allen Ginsburg en Bill Cosby. Hij komt in contact met ene Bobby Zimmerman en maakt al snel naam als een virtuoos op de 12-snarige gitaar. Hij vormt korte tijd een duo met Fred Neil en vindt aansluiting bij de Greenwich Village folkscene. Daar leert hij soortgelijke artiesten als Karen Dalton en Richie Havens kennen en krijgt de bijnaam ‘underground Dylan’ omdat hij als een van de weinigen geen platencontract heeft. Na een paar jaar heeft hij het optreden in de koffiehuizen wel gezien en lift Kerouac-style naar de westkust.
 
Dino Valenti in New York
 
 
Go West Young Man
 
In 1963 arriveert hij in Los Angeles waar hij met optredens probeert voet aan de grond te krijgen. In deze tijd schrijft hij het hippie-anthem Get Together, dat al snel door het Kingston Trio tot een hit wordt gemaakt en later ook opgenomen wordt door onder andere We Five,  The Dave Clark Five, H.P. Lovecraft, Jefferson Airplane en Youngbloods. Ook claimt hij in die tijd, onterecht zoals later zal blijken, het copyright op Hey Joe. De stad bevalt hem echter maar matig en hij trekt in 1964 verder naar San Francisco, waar de sfeer beter bij hem past. Hij neemt voor Elektra een single op, Birdses, maar dat levert hem vooralsnog niet meer op dan bekendheid binnen kleine kring. Daartoe behoort onder andere David Crosby, die hem aanvankelijk bij de Byrds probeert te krijgen. Een van de vele geruchten die de ronde doen is dat zij zich vernoemd hebben naar het nummer van Valenti. Dino heeft echter zo z’n eigen plannen en gaat niet op het aanbod in. Crosby is danig onder de indruk van de muzikale kwaliteiten van Valenti en ook op andere vlakken kunnen de twee het goed met elkaar vinden. Ze liggen beiden goed in de markt bij de dames en hebben een meer dan gemiddelde interesse in geestverruimende middelen.
Niet lang na zijn aankomst in San Francisco weet Tom Donahue hem te strikken voor zijn Autumn Records. Valenti neemt voor het label een LP op die echter nooit wordt uitgebracht. Als hij daarna John Cippolina en Jim Murray leert kennen, ontstaat al snel het idee om als groep verder te gaan onder de naam Quicksilver Messenger Service. Dino loopt over van de plannen, maar voor de groep heeft kunnen repeteren, wordt hij opgepakt voor drugsbezit en verdwijnt voor onbepaalde tijd achter de tralies. Cippolina en Murray komen kort daarna David Freiberg (ook een bekende van Crosby) tegen, die zijn gevangenisstraf er net op heeft zitten, en samen met Casey Sonoban op drums en Skip Spence op gitaar gaat Quicksilver Messenger Service verder.
 
Going solo
 
 
Ook over de gevangenisstraf van Valenti zijn verschillende verhalen in omloop. Er wordt beweerd dat hij voorafgaand aan het proces, tijdens een proefverlof, weer wordt gepakt met wat joints in zijn bezit en vervolgens voor langere tijd wordt veroordeeld. In deze versie verkoopt hij de rechten op Get Together aan de manager van The Kingston Trio, om met de opbrengsten een advocaat te kunnen betalen die hem eerder uit het gevang weet te krijgen. Een andere versie is dat hij tot 11 maanden wordt veroordeeld en de rechten op Get Together al in Los Angeles heeft verkocht. In beide versies staat Valenti in 1967 weer als vrij man op straat en loopt al snel tegen de leden van Quicksilver aan. Hij treedt af en toe met de band op, maar heeft zijn zinnen op een solocarrière gezet. Wel levert hij voor het gelijknamige debuutalbum van Quicksilver Messenger Service een nummer, Dino’s Song. De naam en de verhalen over de muzikale kwaliteiten van Valenti gonzen inmiddels rond in San Francisco en Epic wil hem graag contracteren, maar Valenti wil dit alleen op zijn eigen voorwaarden doen. Uiteindelijk is het Clive Davis die hem voor het label weet te strikken en de eisen van Valenti inwilligt. Vrij snel daarna beginnen de opnames voor Valenti’s solo LP onder leiding van Jack Nitzsche. Valenti neemt de nummers solo in de studio op en Nitzsche voorziet ze achteraf van uitgebreide arrangementen, zoals hij dat gewend is. Als de opnames klaar zijn en Valenti de eindmix hoort, is het toch niet wat hij in zijn hoofd had en weigert akkoord te gaan met het uitbrengen. De plaat moet opnieuw opgenomen worden en vanzelfsprekend met een andere producer. Een van de geruchten is dat hij Clive Davis, na beluistering van de Nitzsche-opnames, midden in de nacht opbelt, om hem de huid vol te schelden en de plaat terug te trekken. Om de opnames in goede banen te leiden, wordt Bob Johnston aangetrokken, die al de nodige ervaring met notoire lastpakken als Bob Dylan en Johnny Cash had. Het eindresultaat is de enige LP die Valenti onder zijn eigen naam maakt.
 
Valenti in de studio met Bob Johnston
 
De tien nummers die gelijkmatig over beide plaatkanten zijn verdeeld zijn voor het merendeel solonummers van Valenti, die zichzelf op zijn 12-snarige gitaar begeleidt. De LP ademt de typische sfeer van het eind van de jaren 60. De teksten gaan over de liefde en sprookjesachtige taferelen met eenhoorns. Valenti verplaatst zich daarbij regelmatig in zijn vrouwelijke aanbidders en hoe die tegen hem aankijken. Dat hij niet bepaald een minderwaardigheidscomplex heeft, blijkt wel uit de tekst in het openingsnummer Something New: ‘You tell me your guy doesn’t turn you on anymore. Here’s a tower straight and tall. Something to run to when you fall. You don’t  have to cry babe.’  Ook een titel als Children of the Sun past uitstekend in de tijdgeest en doet bij vlagen denken aan For What it’s Worth van The Buffalo Springfield als Valenti zingt ‘You better stop, take a look around’. Het laatste nummer op kant 1, Me and My Uncle is het enige dat niet door Valenti zelf is geschreven maar door John Philips van The Mamas and Papas. Het zal later een vast onderdeel op het live-repertoire van Grateful Dead worden en staat ook op de gelijknamige dubbel live LP uit 1971. Door de variatie in stijlen op Dino Valente van jazzy via folk naar pop, gaat de plaat geen moment vervelen. Ondanks die variatie in stijlen vormen de tien nummers een duidelijke eenheid, wat waarschijnlijk op het conto van Bob Johnston kan worden geschreven. Alles klinkt even prachtig. Dino’s stem is sfeervol in de echo gedrenkt en ook zijn 12-snarige gitaar is van de nodige spacy effecten voorzien. De plaat sluit geheel in stijl af met het psychedelische Test (een verwijzing naar de acid tests die toen in San Francisco werden georganiseerd?).
 
Trouble Man
 
Als je de plaat beluistert krijg je al snel het idee dat het leven met Dino Valenti in het middelpunt het paradijs op aarde moet zijn geweest. Achter de schrijver van lieftallige hippiesongs als Get Together en Children of the Sun schuilt echter ook een dwingeland, die volledig aan de eerder geciteerde beschrijving uit het Air Force rapport voldoet. Het verhaal over zijn telefoontje naar Clive Davis is daar een goed voorbeeld van. Richie Unterberger besteedt er in het hoofdstuk over Valenti in zijn boek Urban Spacemen and Wayfaring Strangers uitgebreid aandacht aan. Zo zijn er diverse sessieartiesten, waaronder bassiste Carol Kay, die de studio verlieten zonder een noot gespeeld te hebben, alleen omdat zij de luimen van Valenti niet verdroegen of op het verkeerde moment de verkeerde opmerking maakten. Er wordt dan ook veelvuldig verwezen naar zijn telefoontje met Clive Davis als de oorzaak voor het floppen van de LP. Toen de plaat uiteindelijk klaar was, was hij nauwelijks verkrijgbaar. Clive Davis zou Bob Johnston alleen ingehuurd hebben om de plaat af te krijgen. Zo voldeed Epic aan de contractuele verplichtingen jegens Valenti, waarna hij zo snel mogelijk de laan uit gestuurd werd. Ook de foutieve naamsvermelding op de plaat, Valente in plaats van Valenti, valt binnen deze samenzweringstheorie. Feit blijft dat de plaat tot de cd-release in 1998 nauwelijks te vinden was. Met de heruitgave op Tompkins Square is de oorspronkelijke mono versie weer op vinyl verkrijgbaar.
 
Playing in the Band
 
Uiteindelijk levert het soloproject Valenti niets op en is hij weer terug bij af. In 1969 staat hij weer bij een optreden van Quicksilver Messenger Service op het podium. Maar lang zal de hereniging niet duren. Onrustig als Valenti is, begint hij samen met Quicksilver gitarist Gary Duncan een nieuw avontuur. Samen vertrekken ze naar New York om daar een nieuwe band, Outlaws, te beginnen. Hij verhaal begint een herhaling te worden als ook dit uiteindelijk op niets uitloopt en Duncan en Valenti zich tijdens een concert van Quicksilver in New York weer op het podium bij hun oud-collegae vervoegen. Ditmaal blijft het niet bij een keer. Zowel Duncan als Valenti treden weer tot de gelederen van de Messenger Service toe en reizen met de band naar Valenti’s favoriete oord, Hawai, om daar een nieuwe LP op te nemen. Het resultaat, Just for Love, is op een nummer na, geheel met songs van Valenti gevuld. De meeste schreef hij onder het pseudonym Jesse Oris Farrow. De grootheidswaanzin is zo ongeveer van de credits op de binnenkant van de uitklaphoes af te lezen. Valenti is ‘world’s most magical brat, alias The Hammer’, Duncan is ‘world’s most funky Saint’ en Freiberg is ‘world’s most cuddly devil’. Valenti staat niet voor niets bovenaan in het lijstje. Uit alles blijkt dat hij met zijn komst ook het leiderschap van de band heeft opgeëist en dat is aan het eindresultaat goed te horen. De plaat bevat nog wel een hitje in Valenti’s Fresh Air, een glad geproduceerd countryrock nummer. Ook de volgende LP, What about me, bevat voornamelijk materiaal van Valenti. Een deel van de nummers is afkomstig van de sessies voor Just for Love. Het titelnummer wordt weer een bescheiden hit, maar het spannende en dynamische van de eerste drie platen is er af. Quicksilver maakt nog drie platen en er verschijnt nog een verzamelaar, maar dan houdt het in 1975 definitief op.
 
Valenti op de binnenhoes van Just for Love
 
 
Lost Recordings
 
Valenti verdwijnt, zoals meer iconen uit de sixties scene in San Francisco, in de obscuriteit. Hij keert zelfs weer terug naar het circusbestaan, maar heeft zijn gitaar altijd binnen handbereik. Hij treedt nog wel regelmatig op en neemt ook nog songs op, maar er zal niets meer van hem verschijnen. In 1986 ondergaat hij een hersenoperatie en op 16 november 1994 komt hij vrij plotseling te overlijden. Dino’s zoon Joli beheert zijn vaders nalatenschap en vertolkt af en toe zijn nummers. Het is bij zo’n optreden dat er iemand uit het publiek op hem afstapt en vertelt een tape te hebben met oude opnames van zijn vader. Niet lang daarna duikt er nog een tape op. Vanwege veelvuldige verhuizingen en een reizend bestaan sloeg Valenti veel spullen her en der in San Francisco in kluisjes en opslagplaatsen. Zelf wist hij op een gegeven moment niet meer waar wat was opgeslagen en zo raakten onder andere tapes met opnames zoek. Op basis van de twee gevonden tapes stelde zijn zoon de verzamelaar Get Together: the Lost Recordings samen die materiaal uit de periode 1964-1970 bevat. Het materiaal dateert van zijn begintijd in San Francisco tot de officiële toetreding tot Quicksilver Messenger Service. Het is niet allemaal even sterk, maar er zitten ook een paar absolute prachtnummers tussen. Voor liefhebbers van zijn solo LP een must.
 
 
 
Leesvoer
 
Ben Fong Torres: ‘Dino Valente’. In: Rolling Stone, February 1, 1969.
Richie Unterberger: Urban Cowboys and Wayfaring Strangers: Overlooked Innovators and Eccentric Visionaries of ’60s Rock. Backbeat Books, 2000.
 
Luistervoer
 
Dino Valente: Dino Valente. Tompkins Square, 2013 (TSQ 2929)
Dino Valenti: Get Together … The Lost Recordings. Missing Vinyl, 2010 (MV 025)
 
 
Verschenen in Platenblad, nr. 199, p. 28-29

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen