maandag 8 december 2014

LP top 10 1984 in Platenblad

Traditiegetrouw begint lijstjesmaand december met de top 10 van 30 jaar geleden. René van Kaam van Platenblad ontving dit jaar 82 lijstjes, twee meer dan vorig jaar. De gemiddelde leeftijd van de inzenders was ruim 55 jaar. Onder de 82 inzenders was net als in 2013 één vrouw. Kortom alle vooroordelen over platenverzamelaars en lijstjesfetisjisten worden al jarenlang door dit fenomeen bevestigd. Voor wie onderstaand lijstje naar meer smaakt en voor wie benieuwd is naar de eindlijst over 1984, nr. 208 van Platenblad is verkrijgbaar bij de lokale platenboer en de goed gesorteerde tijdschriftenwinkel.



1. The Gun Club – The Las Vegas Story
2. Nick Cave – From Her To Eternity
3. Ini Kamoze – Ini Kamoze
4. Nomads – Temptation Pays Double
5. Claw Boys Claw – Shocking Shades Of
6. Chris D./Divine Horseman – Time Stands Still
7. Echo & The Bunnymen – Ocean Rain
8. The Waterboys – Pagan Place
9. Prince and the Revolution – Purple Rain
10. Dio – The Last In Line

Een heerlijk muziekjaar, 1984, zo bleek de afgelopen weken bij het draaien van een deel van de platen uit dat jaar. Sommige kan ik niet meer aanhoren, zoals U2 en de Simple Minds, maar er bleek opvallend veel gemaakt te zijn, waarvan de houdbaarheidsdatum nog lang niet gepasseerd is. Ook van eigen bodem werd er het nodige in het zwarte vinyl geperst dat de moeite waard was, zoals de eerste officiële uitgave van Blue Murder en de pretpunk van Outrageous. Hier torent de eerste van Claw Claw Boys toch duidelijk bovenuit. Het was nog niet zo makkelijk om er tien uit te kiezen, en dan niet, zoals vorig jaar, vanuit het idee dat het niet meevalt tien platen die hun geheel de moeite van het luisteren waard zijn te kiezen, maar vanuit de luxe dat er teveel goede platen zijn. Uiteindelijk vielen The Dream Syndicate met Medicine Show, Dreamtime van The Cult, Explosions in the Glass Palace van Rain Parade en Brilliant Trees van David Sylvian toch buiten de lijst. 

Vooral de beste plaat was geen makkelijke keuze. De strijd ging tussen Nick Cave en The Gun Club, waarbij de laatste uiteindelijk de eerste plaats opeiste. Wat een heerlijke grotestadsmuziek, waarbij Jeffrey Lee Pierce bijna alle gitaarsolo’s voor zijn rekening nam en Kid Congo Powers de gruizige achtergrond verzorgde. Cave’s solodebuut, bijgestaan door The Bad Seeds, doet hier nauwelijks voor onder en bevat eveneens alleen maar uitschieters. De doorslag gaf uiteindelijk dat er van hem nog meer in het verschiet ligt en The Gun Club met The Las Vegas Story haar meesterwerk aflevert.

Ini Kamoze maakte vooral dankzij de ritmetandem Sly en Robbie een van de beste reggaeplaten. Een plaat zonder poespas die je niet meer loslaat. Temptation Pays Double is de tweede MiniLP van The Nomads. Was de voorganger al wonderschoon, op de tweede lijkt alles op zijn plaats te vallen en dat is een duidelijke stap voorwaarts. Geslaagde covers van Alex Chilton en The Kinks sluiten naadloos aan bij het eigen werk, zoals de instrumentale opener Rat Fink A Boo-Boo en Where The Wolf Bane Blooms. Live kwam het niet helemaal uit de verf, maar gelukkig lukte het in de studio wel.

Chris D. was vooral bekend als producer van eerder werk van The Gun Club, Green on Red en The Dream Syndicate, waarvan diverse leden aan Time Stands Still meewerkten. Vooral de samenzang van Chris D. met Julie Christensen op een aantal nummers is fraai. De vierde LP van Echo & the Bunnymen is wat mij betreft het beste wat de groep maakte. Orkestrale arrangementen gaan prachtig samen met de schurende gitaar van Will Sergeant en de plaat roept regelmatig associaties op met het solowerk van Syd Barrett. De tweede van The Waterboys laat een stijgende lijn zien in vergelijking met het debuut uit 1983. Uitschieters zijn The Thrill Is Gone, Red Army Blues en het titelnummer.

Prince wist op het laatste moment toch nog een plek in de top 10 te veroveren met een plaat waar vooral zijn fabuleuze gitaarwerk in de schijnwerpers staat. Dio sluit gepast de rij met zijn The Last In Line. Ronnie James maakte het zichzelf niet makkelijk. Het titelnummer is zo briljant dat het niet anders kan of de rest valt daarbij in het niet, terwijl het uiteindelijk absoluut geen slechte nummers zijn. Daarmee blijft hij zijn oude werkgever Ritchie Blackmore, die dat jaar met een reünie van Mark II van Deep Purple de gloriedagen weer even deed herleven met Perfect Strangers, toch mooi voor.
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen